Eerbetuiging aan:  Euripides

Zywa Niet te gast als een slaaf

Ik ben terug, op mijn hoede
in de straten van mijn jeugd
en de huilende omhelzing

van amma en mijn zussen
aan de oevers waar ik heb gespeeld
Ik ga hier niet meer weg

al moet ik ervoor vechten
Niet in míjn hand ligt het
om te sterven of te doden

Elders een balling, een beleefde gast
die zich voegt als een slaaf
kan ik niet blijven

Ik ben terug, op mijn hoede
in mijn eigen huis, en jij broer
de oudste, jij moet wijzer zijn

Geen koning
kan zichzelf kronen
hoogstens kan hij een dienaar zijn

Gedicht 549
Amsterdam, 2016-01-29
600 vC
"De Zeven tegen Thebe" (Aeschylus, 467 vC)
"Fenicische vrouwen" (Euripides, 410 vC)
1200 vC
"Mahabharata" ("De Grote Wereld")

Bundel: PuimPuin 
Trefwoord: Vrijheid:  

Zywa Het beleg

Laat hen maar praten, in woorden
hun gelijk halen alsof we het hebben

over hetzelfde, ja laat hen maar
schieten, de staat zwicht niet

voor geweld, bloed schrijft
geen bewijzen, alleen feiten

brengen waarheid aan het licht:
vreemden en verwanten omsingelen

ons, ze schreeuwen dreigementen
en eisen, verzaken de vrede

Maar wij hebben niets te verliezen
wij hebben alles, de overwinning

of de hemel, en zij worden vergeten
niet eens bespot om hun dwaasheid

ons te komen doden in hun waan
daarna gelukkig te zijn. Als kadavers

na de slacht zullen ze in het veld liggen
aangevreten door hyena's, jakhalzen, ratten

en wormen uit de onderwereld
Kinderen zullen spelen met de knekels

Gedicht 550
Amsterdam, 2016-01-30
600 vC
"De Zeven tegen Thebe" (Aeschylus, 467 vC)
"Fenicische vrouwen" (Euripides, 410 vC)
2015-2017 ar-Raqqa

Bundel: PuimPuin 
Trefwoord: Oorlog: strijd 

Zywa Gefnuikte meisjesdromen

Met mijn zusjes deed ik mama
en haar vriendinnen na
Door op alles te letten

van wenkbrauw tot voetstap
elke spier onder zijn mantel
het menu en onze kleren

lieten we papa die koning is
zijn belangrijke werk doen

     Al zolang leef ik zonder
     vriendinnen, zonder kind
     Ik strijk geen lakens glad

     voor mijn Achilles, de gevoelige
     held, zijn goddelijke lichaam
     Op onze huwelijksdag

     besprenkelde de priester mij niet
     met wijwater, hij besmeurde me

          met klever uit het gouden vat -
          vies mengsel van bloed, wijn
          honing, en niemand durfde

          te kijken - onder de offertafel
          naast het laaiende vuur van de brand-
          stapel schopte hij me: blijf stil zitten!

          Zijn mes blonk, ik zag hem trekken
          aan de hinde die mijn plaats innam

Ach, welke vrouw leed en lijdt niet
aan mooie meisjesdromen
gefnuikt door snode plannen

waaraan ze hoogstens half
ontkomen is?

Gedicht 554
Amsterdam, 2016-02-04
Naar: Iphigeneia
Bundel: Blauwe plekken 
Trefwoord: Offer 

Zywa
EerbetuigingenDuitsEngels5-7-5
PenseelPuimPuinRegenLiefdes
VerdichtTrekvogelsAlsloosFoto