Amsterdam, 2019-11-02
Fr─ź = eigen -> bemind, geliefd -> 1. vrouw, 2. vrij (eigen, geen slaaf)
Friodu / Fridu = vrede, rust, toestand dat het eigene onbedreigd is
Frij┼Źn = vrijen: verkering hebben, liefkozen, geslachtsgemeenschap
Fri┼Źnds = gevrijd, liefgehad
Fri┼Źnd = 1. bloedverwant, 2. iemand die de status van bloedverwant verkrijgt: vriendÔÇŁ

Bundel: Meer 
Trefwoord: Vriendschap 
Zywa
Home Duits Engels 5-7-5
Penseel PuimPuin Regen Liefdes
Verdicht Trekvogels Alsloos Theater